NESTMANDEN


NESTMANDEN

door Corry Hansen

Dit is de benaming voor manden die samen een nest vormen en die ook wel maatmanden genoemd werden. Deze manden werden grotendeels in de land- en tuinbouw gebruikt, bij opslag en transport van producten als aardappelen en uien. De serie bestaat uit manden met verschillende inhoudsmaten. Er waren in de loop van de tijd voor dit soort manden meerdere namen in omloop zoals bijvoorbeeld de oud-schepelmand en de nieuw-schepelmand, waardoor ook wel verwarring ontstond over naam en inhoudsmaat.


Aardappelmand; uit "Het vlechten van ronde tenen manden";
zonder witte kim, met geheel witte oren

In onderstaand lijstje zijn de meest gangbare termen gebruikt voor de verschillende groottes. Deze manden, die een vaste inhoudsmaat hadden, werden dan ook gecontroleerd door een keurmeester. Dit werd gedaan om bedrog te voorkomen bij het vullen en verkopen van producten in deze manden zonder weegschaal of bascule. De vaste maat had een vaste inhoud en daarmee kon niet worden gesjoemeld. En daardoor hoefde niet telkens een hoeveelheid afgewogen te worden.
De mandenmaker gebruikte hiervoor bij het vlechten maatstokken met speciale inkepingen om de vaste maat te kunnen aanhouden. Bijvoorbeeld: l / werd bedoeld voor de diameter van de bodem, maar ook verderop voor de wijdte van de mand bovenaan. ll (met een denkbeeldig streepje ertussen) stond voor de hoogte van de mand.
Deze manden zijn niet gemakkelijk te maken. Men moest ervaring hebben om manden allemaal precies op maat te maken en de verschillende manden in elkaar te laten passen, dat komt zeer nauwkeurig. Doordat de aardappel een relatief goedkoop volksvoedsel was kwam de aardappelmand in heel Nederland voor. De mandenmakers wisten dat er altijd veel vraag was naar aardappelmanden. Ze maakten daarom in slappe tijden veel van dit soort manden op voorraad. Er werden zoveel van geproduceerd dat er alleen al in Overijssel, Drenthe en Groningen in 1935 zo'n 300.000 stuks van deze manden werden afgeleverd.*
Bij de manden worden bodem en wand met matjes gevlochten. De manden hebben allemaal vanaf 2 matjes onder de bovenrand een matje van witte teen, het tekenwit genoemd. Dit was om het brandteken van de keurmeester te zetten als de mand gecontroleerd was op de maat. Op bruine twijg kon men dit niet goed zien. De manden mochten niet zonder dat merkteken verkocht worden als officiële inhoudsmaat. De staken van de manden zijn afgepend boven in de rand.

Hieronder is een matenlijstje vermeld van Tonny Gerfen die Jose Schilder nog in haar bezit had. In dit lijstje worden kopmanden en mudmanden vermeld. Aan het eind van het artikel wordt aandacht aan de inhoudsmaten besteed. De mandenmaker gebruikt niet dagelijks zo'n lijst, hij had immers de maatstokken naar welk voorbeeld hij ook de maatstokken voor zijn leerlingen kerfde, zodat ieder altijd zijn eigen kerfstokken had.

mand
bodem
lagen
hoogte tekenwit
hoogte totaal
doorsnede boven
staken
doorsnede staken
aantal matten
10 kop
15
5
17,5
23
28
19
4 a 5
15
15 kop
19
5
22
28,5
32,5
21
7 a 8
19
1/4 mud
21
5
25
32
38
21
7 a 8
21
1/3 mud
25
5
29,5
36,5
43
23
8 a 9
24
1/2 mud
30,5
6
32,5
42,5
49
25
9 a 10
28

*ontleend uit "Het vlechten van ovale manden met teen"; A. Westendorp, A. v.t.Hoog en W. Tuinzing

Werkwijze
De bodem wordt gevormd door 5 of 6 staken (lagen) i.p.v. stekken, gemat met 2 á 3 twijgen. De werkwijze van deze bodem staat in ons vlechtbulletin nr. 11, waar de kaak- en kostmand is beschreven.
De inslag werd heel regelmatig ingelegd, je vernieuwde de mat met een vaste regelmaat aan slagen zodat je aan de binnenzijde een oplopende spiraal kon zien van ingelegde ondereinden.
De randen van de 1/3 en 1/2 mud werden met dubbele slagen gemaakt, zodat ze wat robuuster uiterlijk hadden.
De oren werden op speciale wijze over de staken verdeeld, om ze goed tegenover elkaar te krijgen, nl. een oor stond "buiten 3' staken, daar waar de staken wat verder uit elkaar stonden en aan de andere kant stond het oor op 'binnen 4' staken. Door de oneven staken stonden de oren zo beter tegenover elkaar.

KIM
De bodemkim van de 10 en 15 kop is van 3 geschilde twijgen, begonnen met de voet, ingestoken in de bodem. Na een ronde wordt het werk omgedraaid en aangeprikt. Daarna komt de opzetkim met dubbele twijgen, geschild, 1x rond.
Hierna ga je verder met matjes tot aan het tekenwit. Leg op de hoogte van het tekenwit (zoals hierboven vermeld) i.p.v. een bruine twijg een witte en zo vervolgens tenminste een hele ronde met een volledig wit matje en daarna weer op dezelfde wijze verder met bruine teen.

De bodemkim van de 1/4, 1/3 en 1/2 mud wordt van rotan gevlochten met 4 kimtwijgen (1 achter, 3 voor) waarbij de 1/2 mud, ook de 1ste ronde opzetkim nog van rotan is. Dit geeft sterkte voor de zware last. De opzetkim van ongeschilde twijg is altijd dubbel.
Er komt geen bovenkim bij deze manden.

RAND
De rand van de 10 kopmand is achter 1, voor 3.
De rand van de 15 kopmand, 1/4mudmand, 1/3mudmand is achter 2 voor 3.
Van de 1/2 mudmand is de rand achter 2 voor 4.
Er komen 2 oren aan de mand, van één witte en één ongeschilde twijg.

Maatgegevens
Nog even wat gegevens:
1 hectoliter is 100 liter; 1 mud is een hectoliter; 1 mud is 70 kilo.
Een oude naam was de schepelmand. 1 schepel is 0,1 hectoliter.
Een spintmandje was ook bekend, dit was een 5 kop (5 liter); maar deze wordt niet in het lijstje vermeld.

1 kop is 1 liter; 10 kop is 10 liter.
1 schepelmand was 10 liter dus een andere naam voor het 10 kopsmandje.

De oud-schepel mand komt overeen met de 1/3 mud en de nieuw schepel mand met de 1/4 mud.
Het 10 kops mandje moest op 4 lagen gemaakt worden.

Met dank aan José Schilder en Piet-Hein Spieringhs
<< TERUG NAAR OVERZICHT