MANDENMAKERIJ IN RUSLAND

<< Terug naar Artikelenindex
Uit Vlechtbulletin nr. 13, december 2007
NB. Een artikel dat eerder in het bulletin van Wilg en Mand (1-1999) verscheen.

door Mia Pot

In de vroegere U.S.S.R. zou niets meer over zijn van ambachtelijke vakkennis. De machine kon immers alles maken, vlugger en goedkoper, zonder dat er veel spierkracht voor nodig was. Kennissen uit Frankrijk, betrokken bij de bouw van een boerderij in de Oekraïne, hadden mij dat een paar jaar geleden verteld. Zelfs een normaal geschoolde timmerman was er niet meer te vinden.


Op 't eerste gezicht bakermatten, maar die zijn onbekend in Rusland. Dit zijn zitjes op sleden!

Later was ik in de gelegenheid hierover mijn licht op te steken bij een bevriend Nederlands-Russisch echtpaar. Hun verhaal luidde met betrekking tot de verre omtrek van Moskou heel anders. "Er is enorme belangstelling voor alles wat ambachtelijk is! Mandenmaken? Er is een boek over hoor!" En een paar maanden later brachten ze dat boek voor me mee. Ik ken geen Russisch, maar dat merkwaardige alfabet valt wel te leren. En in de eerste plaats vertellen de talloze afbeeldingen: foto's en werktekeningen, hun verhaal. Het lijkt een degelijk instructieboek; het begint met een hoofdstuk over vaktermen, gereedschap en teenteelt. Iva betekent wilg vind ik in een woordenboekje, een verjaarsgeschenk dat goede diensten bewijst. Bij de benamingen zijn het Amerikaantje, de Bitterwilg en een soort uit de Oeral te herkennen; Latijnse namen ontbreken helaas. Het schillen met behulp van een simpele houten schilklem wordt in een serie van zes foto's duidelijk gemaakt. De werktekeningen zijn uitstekend (zie de afgebeelde voorbeelden), ze maken veel begrijpelijk over gebruik van gereedschap en toegepaste technieken. Uitgaande van de afgebeelde manden is mijn indruk dat het accent niet ligt op eenvoudige, stevige gebruiksmanden, of op typische Russische traditionele modellen. Wel wordt de beugelmand, ons bögelkörfke uit Twente, beschreven alsook de eraan verwante, mooie 'Schiffsschwinge'.
In een tweede, wat later gekregen boekje lijkt er iets meer aandacht aan gegeven te worden. De vakkennis lijkt me respectabel, de nadruk ligt soms, zo te zien vaak zelfs op virtuositeit, en er is kennelijk materiaal van uitstekende kwaliteit verkrijgbaar. De meeste voorwerpen, veel van witte teen, maar ook wel met fantasie tweekleurig gevlochten, lijken meer voor binnenshuis dan voor gebruik buiten gemaakt te worden en soms alleen maar bedoeld als pronkstukken. Want een gevlochten samovar ( de Russische waterketel met kraantje voor theezetten) is zeker een technisch hoogstandje, maar kan toch onmogelijk functioneel worden genoemd! Gevlochten lampenkapjes: abajoers en 'sier'potten of kasjpo's (het Franse abat-jour en cache-pot) zijn kennelijk populair en zo herken je soms ook een enkel vertrouwd woord. Er is bepaald een rijkdom aan getrokken werk. Ook in het tweede hierboven genoemde boekje zijn er goede voorbeelden van te vinden (afb.2A-E). Deze manden worden om mallen (houten vormen) gemaakt.

2. Tekeningen bij de werkbeschrijving van een getrokken mand.
A: de bodem; B: het vastzettenop de ‘hoed’; C: de zjkant; D: de afwerking; E: de voltooide mand

Twee van de beschreven technieken hebben me bijzonder getroffen. Ten eerste worden de beide vlechtwijzen van de ovale bodem beschreven, dus ook de alleen in Nederland en Engeland bekende (afb.3).
vlechten
Je vraagt je af of Tsaar Peter misschien behalve scheepstimmerlieden ook een mandenmaker meegetroond heeft naar Rusland! Waarschijnlijk lijkt me dat het boekje van Thomas Okey van omstreeks 1913, waarin beide vlechtwijzen zo duidelijk zijn beschreven, zijn weg naar Rusland heeft gevonden.
Ten tweede trof mij de als 'mand gevlochten op één hoepel' beschreven ronde of ovale mand. Daarbij is het begin een hoepel, waaromheen de staken worden aangeschalmd. Daarna wordt opgetuind (die prachtige term leerde ik van de mandenmaker Ofman in Alkmaar) en in plaats van de rand wordt dan de bodem gevlochten, waarbij de staken rechthoekig worden omgeknikt en kruislings als basis dienen voor de bodem (afb. 4).
vlechten
Michael Thierschmann schreef over een voorbeeld van deze techniek in het Openluchtmuseum Detmold en wist van toepassingen in Ierland en Finland. Het eerstgenoemde boek wordt besloten met een eenvoudige beschrijving van het maken van meubels. Waarschijnlijk is dit altijd een broodwinning gebleven, misschien doordat die naar verhouding goedkoop waren en gemakkelijk te transporteren? Ze zien er heel vertrouwd uit, als serremeubels van vroeger. Het tweede boekje, kleiner en eenvoudiger van uitvoering, eindigt met de beschrijving van het maken van schoeisel van boombast. (zie onderstaande tekening)

Kort geleden kwam er nog een derde boek mee, over het vlechten met wilgenteen en moerasplanten. Ook hierin is behalve over manden veel te vinden over gevlochten meubels. Daar zijn heel bewerkelijke, versierde pronkstukken bij, zoals kinderbedjes, fauteuils en schommelstoelen. De moerasplanten zijn voor zover ik uit de afbeeldingen kan opmaken bies en lisdodde (ook hier ontbreken de Latijnse namen). Oplage 25.000! klonk het bij de overhandiging van dit derde boek. Nu ik het woord tirasj (het Franse tirage) kan ontcijferen, meen ik te begrijpen dat de eerste twee boeken oplagen hebben van respectievelijk 85.000 en 30.000 exemplaren. Het zijn blijkbaar vakboeken voor mandenmakers, ook voor wie slechts een deel van zijn tijd, misschien de winter, kan gebruiken om iets meer inkomsten te verwerven, een begrijpelijke en dringende noodzaak in Rusland. Het eerstgenoemde boek is uitverkocht, maar Natasja van Orden wist via contact met de schrijver nog aan twee exemplaren te komen, één daarvan is nu in onze bibliotheek opgenomen. Kent één van onze donateurs misschien Russisch?


Literatuur
1. B.M. Doebrovskii, (poging tot vertalen) 32 lessen in vlechten met wilgenteen. Moskou 1993 (hieruit afb.3).
2. E. Donets & P. Ratsjkov, (id.) Vlechten met wilgenteen en boombast. Moskou 1994 (hieruit afb. 1, 2, 4, en 6).
3. Sergei Kotov, (id.) Vlechten met wilgenteen en moerasplanten. Jekaterinenburg 1995.