ROMEINSE FUIKEN

<< Terug naar Artikelenindex
Verkorte versie uit vlechtbulletin 7 – 2007

door Corry Hansen

In het voorjaar van 2004 kreeg ik een mail van Pauline van Rijn, archeologe en houtdeskundige. Zij was donateur van de Stichting geweest en had net als anderen een enquêteformulier en een wervende infofolder gekregen, waarin de toekomstige bestuursleden van de Vereniging van Vlechters zich voorstelden. Daarin zag ze dat ik werkte in het Zuiderzeemuseum. Zij wist van een eerder onderzoek naar aanleiding van de vondst van dichtgevlochten fuiken in de resten van een Romeinse haven in Velsen. Voor dat onderzoek had Tony Gerfen, die toendertijd mandenmaker was in het Zuiderzeemuseum, meegewerkt, door een reconstructie te maken van dat type fuik. Ze wilde weten wat er bij ons bekend was, over de techniek van het vlechten van een dergelijke fuik en de vlechttechnieken in het algemeen.

Dit, omdat Pauline met een onderzoek bezig was naar resten die gevonden zijn tijdens opgravingen bij de Leidse Rijn, de zogeheten Vinex-locatie in de gemeente Utrecht. Er werden bij de opgravingen wegen aangetroffen, bruggen, kades en wachttorens. Al dit materiaal maakte deel uit van de Romeins militaire infrastructuur langs de noordgrens van het Romeinse Rijk.
De Romeinen kwamen voor het eerst in 50 v. Christus in Nederland. Dit was toen een soort ontdekkingsreis in het land van de barbaren ten tijde van legeraanvoerder Caesar. 50 jaar later verscheen bij Nijmegen het eerste grote permanente legerkamp. 15 jr. na C. kwam er een vlootstation bij Velsen N.H. (bij de zuidingang Velser tunnel).Vanaf 40 jr. n. C. wordt er een hele reeks forten gebouwd langs de Oude Rijn tussen Katwijk en Nijmegen en verder stroomopwaarts richting Duitsland.
De Oude Rijn was in die tijd de belangrijkste tak van de Rijn en de monding lag bij Katwijk en in de forten bij deze noordgrens werden troepen uit het hele Romeinse Rijk gelegerd. Er waren in totaal 10 forten gebouwd, die eerst in hout waren uitgevoerd en later in steen.
Bij de forten ontstonden dorpjes met werkplaatsen die voor het leger produceerden, cafés met thuis gebrouwen bier, kraampjes waar eten verkocht werd, bordelen enz. In de buurt van deze forten zijn een aantal visfuiken gevonden.

Pauline wilde in het museum komen om de verschillen of overeenkomsten tussen "moderne" fuikjes van wilgenteen en de "Romeinse"modellen te bekijken.
Ik stuurde haar een enthousiaste mail terug met het antwoord, dat wij 2 copies hadden, door Tony Gerfen gemaakt, van een van de onderzochte fuiken en dat ze welkom was om met mijn collega's Anna Frederiks en Piet Bongers en mij te komen praten.
Dit bezoek, waar haar al veel duidelijk werd over wat wij bedoelden met een Hollandse eer, een Franse eer, een Matje, een Kim en een Paartje, werd gevolgd door een tegenbezoek in Utrecht (de Meern). waar een tijdelijk depot is gevestigd voor de opgravingen in de buurt van het Leidse Rijngebied.
Daar lagen een aantal van de fuiken, geconserveerd. Van de meeste fuiken was maar de helft d.w.z. alleen de onderste helft, over. Een aantal waar nog wel wat over was van de bovenste helft waren vervormd tot ovaal. Er waren ook kleinere vondsten, zoals alleen een gevlochten keelopening. Sommige fuiken bevatten nog een verzwaring van stenen of stukken aardewerk.
De fuiken die gevonden zijn, bestaan allen uit hetzelfde type, een dichtgevlochten mand, in een cilinder/ tot klokvormig model variërend van 65 cm. tot 100 cm. en een diameter van circa 35 cm. Het binnengedeelte eindigt in een trechter, de keel genoemd, nauw uitlopend met staken die scherp aangesneden zijn. De keel en de buitenwand zijn in een keer gevlochten met een opening bovenin van + 12 cm.. die afgesloten werd met een prop gras of weefsel.
Alle fuiken zijn gevlochten met ongeschilde wilgenteen, een ook met kornoelje. De fuiken zijn allemaal begonnen met de keel, met circa 9 staken, eerst gepaard en later overgegaan op de Hollandse eer. Een paar fuiken zijn in z´n geheel gepaard gevlochten.
De fuiken wijken sterk af in vorm en vlechtmethode, van exemplaren uit de prehistorie.
Die fuiken , maar ook die in latere periodes in Nederland gebruikt zijn, werden allemaal in een open vlechtmethode, de fitstechniek, gevlochten. Een goed voorbeeld daarvan is te zien in het Oudheidkundig Museum in Leiden.
Bijvoorbeeld de prehistorische fuik, die is gevonden in Bergschenhoek, Z.H. is 1.7 mtr. lang en heeft een losse keel. Andere prehistorische fuiken hebben soms geen keel of ´n losse, apart te bevestigen keel. De fuik van Bergschenhoek, gedateerd omstreeks 4300 v.Ch., is gemaakt van 2 jarig kornoelje twijgen en fitstouw van biezen.

De onderzoekers gingen er eerst van uit, dat alle fuiken voor het vangen van aal gebruikt werden. Bij later onderzoek ontdekten de archeologen dat in de 17e eeuw ook kleine mandachtige fuiken gebruikt werden voor de vangst van kleine karperachtigen zoals voorntjes. In de etensresten van de soldaten die gevonden zijn bij de wachttorens van de Leidse Rijn zijn graten van deze vissen gevonden.

Bij opgravingen in Oost Europa ( Hongarije en de Balkan) heeft men ook dicht gevlochten fuiken gevonden, die wat hun model betreft lijken op de Romeinse fuiken en die gebruikt werden om kleine karperachtigen, zoals de grondel of bermpje te vangen. Deze werden echter ook vaak als aas gebruikt.
De onderzoekers gaan er van uit dat de opzet was om aal te vangen, omdat deze vis veel voedzamer was dan kleine karperachtigen.
Om nu de conclusie te trekken dat er wellicht Oost Europese soldaten in Romeinse dienst gelegerd waren in Nederland en hun vlechtmethode meenamen, om hier te kunnen vissen, als welkome afwisseling van het menu, lijkt een beetje vroeg.
Er zal nog meer informatie moeten komen over de herkomst van de Romeinse troepen, gekoppeld aan informatie over fuikvondsten uit andere gebieden, bijvoorbeeld Frankrijk en Oost Europa om duidelijkheid hierin te brengen.
In ieder geval zijn in de na-Romeinse tijd de fuiken niet meer op deze manier gevlochten maar men is weer overgegaan op de modellen van de pre-Romeinse methode van vlechten, namelijk de open vlechtmethode: het fitsen. Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen, dat de hoeveelheid gebruikte tenen, duidt op het bewust kweken van wilgen door middel van snijgrienden. Het lijkt bijna niet mogelijk om deze hoeveelheden tenen van dezelfde doorsnede in het wild te verzamelen.
Het vinden van een snijgriendje in de vorm van stobben van kornoelje in de buurt van de fuik bij Bergschenhoek lijkt hier ook op te wijzen.